|
CDA Aanbevelingsprogramma voor 'Nederland Integratieland' 1) Religie als middel tot integratie Intro Religie en levensbeschouwing zijn essentiële pijlers voor onze samenleving. Kerk en staat zijn te scheiden, geloof en politiek niet. Wij leven in een samenleving, en dat betekent dat mensen met verschillende religies en culturen met elkaar in gesprek moeten komen en blijven. Tweezijdig respect is daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. In de politieke discussie wordt religie te veel en te vaak als een belemmering voor integratie gezien. Hiermee wordt geen recht gedaan aan de identiteit van mensen. Een volwassen integratiebeleid vraagt om een serieuze benadering van de rol van religie. Onder het mom van een neutrale overheid ten opzichte van religie (de scheiding tussen kerk en staat) wordt religie verbannen naar het privédomein. Dat doet geen recht aan de inspiratiebronnen van mensen die vaak bepalend zijn voor hoe zij in het leven en in de samenleving staan. Religie betekent immers 'samenbinden'. Juist in de strijd tegen de 'verslonzing', het verlies van waarden en normen en het terugbrengen van een gevoel van samenhang, binding en verbondenheid kunnen gebedshuizen en aanverwante organisaties (middenveld van culturele minderheden) een belangrijke rol spelen. Zij bestrijden eenzaamheid, anonimiteit en gebrek aan perspectief. Zij verschaffen waarden en normen en stellen mensen in staat om hun religie inhoud te geven. Ook voor de rechtsgemeenschap kunnen zij betekenis hebben als het gaat om het uitdragen en versterken van de kernwaarden van de rechtsstaat. Die kernwaarden zijn in de westerse wereld gevoed door de joodse, christelijke en humanistische cultuur en hebben zich op juridisch vlak verdicht tot grondrechten en daaruit voortvloeiende wettelijke bepalingen. Het is belangrijk voor een rechtsgemeenschap en haar cultuur dat die verbinding tussen levensovertuigingen en religie enerzijds en de rechtsstaat anderzijds een vruchtbare blijft. Hier ligt een belangrijke taak van maatschappelijke en ideële organisaties, of zij nu humanistisch, christelijk, islamitisch of joods zijn. Cultureel en maatschappelijk wordt zo invulling gegeven aan de notie van diversity within unity. Verscheidenheid binnen een eenheid die zich oriënteert op de waarden van de rechtsgemeenschap, zoals beschreven in het rapport van het WI voor het CDA (Investeren in integratie). Die waarden van de rechtsgemeenschap liggen vanouds ook ten grondslag aan de grondrechtelijke begrenzingen van diversiteit. Zij maken de identiteit van rechtsstaten uit: een identiteit waarvoor de overheid aandacht mag vragen (bijvoorbeeld in het onderwijs). Een identiteit die in het uiterste geval ook leidt tot verboden en geboden, namelijk daar waar de menselijke waardigheid en de eerder genoemde kernwaarden in de knel komen. Uitingen van religie behoren tot de maatschappelijke werkelijkheid. Voor de expressie van het persoonlijke geloof, veelal in de vorm van gemeenschappen, moet ruimte zijn. Aanbevelingen: 1.1 Het CDA neemt het initiatief tot het intensiveren van het gesprek over de rol van religie en levensbeschouwing in het publieke domein met migranten en (religieuze) organisaties van de verschillende culturen en nationaliteiten. 1.2 Uitingen van religie behoren tot de maatschappelijke werkelijkheid. Voor de expressie van het persoonlijke geloof moet ruimte zijn. Pas als symbolen en gedrag het vervullen van een openbaar ambt expliciet in de weg gaan staan is er een reden om daaraan beperkingen te stellen. Voorts kan het voor de uitoefening van een beroep het functioneel nodig zijn om geen (zichtbare) uiting van het geloof te geven. Maatschappelijke instituties, scholen en andere religieuze organisaties kunnen beperkingen stellen aan het dragen van religieuze kleding. 1.3 Veel maatschappelijke activiteiten worden door religieuze organisaties verricht. De overheid ondersteunt deze organisaties waar zij uit het oogpunt van emancipatie een bijdrage leveren aan de sociale en culturele integratie. 1.4 In het onderwijs dient expliciet aandacht besteed te worden aan de maatschappelijke rol van religie en de kernwaarden van de rechtsstaat. 2) Migratie en inburgering Intro Een groot deel van de niet-Nederlandse immigranten komt om redenen van gezinsvorming of gezinshereniging, hieronder zijn ook veel kinderen. Iedereen die wil trouwen met een partner van buiten Nederland, en deze partner naar Nederland wil laten komen, moet zich ' samen met de partner ' maatschappelijk en financieel kunnen redden in de Nederlandse samenleving. Minimaal één van de twee moet daarvoor een baan en inkomen (geen uitkering) hebben en moet beschikken over adequate reguliere huisvesting. De buitenlandse partner moet zich vooraf richten op beheersing van de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse gewoonten. Dit om de bewustwording te vergroten en ongelijkwaardigheid in relaties en kwetsbaarheid van vrouwen tegen te gaan.[1] Gedwongen huwelijken worden tegengegaan. In het inburgeringsprogramma zal meer nadruk gelegd moeten worden op de 'connecting values' zoals actief burgerschap. Van nieuwkomers wordt niet gevraagd hun eigen wortels te verloochenen, maar vanuit die wortels een actieve bijdrage aan onze samenleving te leveren. Op het niet nakomen van de inburgeringsverplichting dienen sancties te staan (intrekken verblijfsvergunning). Uiteraard geldt een uitzondering voor degenen die op objectieve gronden niet aan deze eisen kunnen voldoen. Aanbevelingen: 2.1 Voor toelating tot Nederland in het kader van gezins-vorming en 'hereniging worden scherpere eisen gesteld aan alle huwelijkspartners. Deze eisen hebben betrekking op: Leeftijd; maximaal benuttend de ruimte binnen de Europese verdragen; Inkomen (plicht om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien) 120% van het wettelijk minimumloon. Basisniveau van inburgering (= kennis Nederlandse taal en samenleving) te beginnen in land van herkomst. (bv. via E-learning of schriftelijk) Hier ligt ook een verantwoordelijkheid voor de partner in Nederland! Het kunnen voorzien in adequate zelfstandige huisvesting. 2.2 Naast kennis van de Nederlandse taal bevat de inburgeringscursus dezelfde kernelementen van het onderwijs zoals omschreven in paragraaf 5 (Sleutelrol voor onderwijs) 2.3 Het recht op vrije vestiging geldt pas nadat de inburgeringscursus succesvol is afgerond. 2.4 Naturalisatie is pas mogelijk als het inburgeringsprogramma succesvol is doorlopen en afgesloten met, een staatsexamen burgerschapsvorming. Naturalisatie gaat gepaard met een ceremonie waarin de kernwaarden van de Nederlandse samenleving tot uitdrukking worden gebracht. 2.5 Er dient speciale wetgeving te komen die het mogelijk maakt dat gemeenten specifieke maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van concentratie van problemen op gebieden als wonen, onderwijs en werkgelegenheid aan te pakken. 3) Familie en Gezin Intro Families en gezinnen zijn belangrijke maatschappelijke verbanden en cultuurdragers. De kleinste gemeenschap, waarin identiteit wordt gevormd en de waarden van democratie worden geleerd. In het gezin wordt de volgende generatie voorbereid op actief burgerschap. Zo zou het moeten zijn, maar wij mogen onze ogen niet sluiten voor de weerbarstige praktijk. In migranten gezinnen hebben de vrouwen een spilfunctie wat betreft de opvoeding, de vorming van identiteit en de voorbereiding op actief burgerschap. Het vraagstuk van de huwelijksmigratie, het halen van een partner uit het land van herkomst, is een maatschappelijk probleem op zich. Dit verhoogt de druk op nieuwkomers, die niet primair door arbeid, maar door een huwelijk een vestigingsvergunning verkrijgen., Voorkomen moet worden dat hun achterstanden worden overgedragen op de volgende generatie via de opvoeding van kinderen. Immers, anders beklijven deze achterstanden. Voor- en vroegschoolse educatieprogramma's, waaraan ook de nieuwkomende ouder deelneemt zijn dan ook evident noodzakelijk om achterstanden tegen te gaan. Migratieaspecten van transnationale huwelijken maken het stellen van eisen gerechtvaardigd, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de immigrant voorop staat. Zo kunnen bijvoorbeeld toetredingseisen voor het doen van een beroep op de sociale zekerheid en sociale voorzieningen worden ingesteld. Aanbevelingen: 3.1 Migratieaspecten van transnationale huwelijken maken het stellen van zekere eisen gerechtvaardigd, zoals toetredingseisen voor het doen van een beroep op het stelsel van sociale zekerheid en sociale voorzieningen. 3.2 Voor ouders en opvoeders dienen er toegankelijke inburgeringsvoorzieningen te komen, zoals voor- en vroegschoolse educatieprogramma's en inburgeringsprogramma's onder school- en lestijden. 3.3 Sommige gezinnen slagen er niet in hun rol en verantwoordelijkheid waar te maken. Kinderen mogen daarvan niet de dupe worden. Een vroegtijdige signalering is nodig. Daarvoor is een ketenbenadering noodzakelijk van consultatiebureaus, peuterspeelzalen, kinderopvang, gezinscoach en schoolarts. 4) Actief burgerschap Intro Burgerschap impliceert enerzijds de vrijheid om levenskeuzes te maken, anderzijds het dragen van verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het samenleven en de waarden en normen. Actief burgerschap komt concreet tot uitdrukking in de verschillende functies die mensen in de samenleving vervullen, zoals: Economische functies (scholing en werk) Sociale functies (familie en gezin, vrijwilligerswerk) Culturele functies (geloof, traditie en cultuur) Politieke functies (participatie in besturen, actief en passief kiesrecht) Tot nu toe is nooit duidelijk gemaakt wat van migranten en 'Nederlanders' op het gebied van burgerschap verwacht mag worden. De Contourennota van het Rijk introduceerde deze term destijds, maar daar is het verder bij gebleven. Om actief burgerschap te bevorderen is het noodzakelijk dat iedereen over voldoende startkwalificaties beschikt om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Het SCP constateert dat het huidige niveau van de startkwalificatie[2] voor veel, met name, migrantenleerlingen (nog) te hoog gegrepen is. Daardoor dreigt uitsluiting en dat is niet acceptabel. Bovendien heeft iedereen de plicht om te voorkomen dat men 'achterstallig onderhoud' dient te plegen, indien de startkwalificatie (nog) niet is behaald. Aanbevelingen: 4.1 Om invulling te geven aan actief burgerschap bepleiten wij een 'Burgerschapsoffensief'. Te beginnen in de inburgeringsprogramma's en het voortgezet onderwijs door middel van maatschappelijke stages. 4.2 In het gehele onderwijs dient aandacht besteed te worden aan 'burgerschap', zowel als rode draad in alle lessen als in een aparte module 'Burgerschapskunde'.(zie ook par.5) 4.3 Indien het niet beschikken over een startkwalificatie leidt tot het niet kunnen voorzien in eigen levensonderhoud is een sanctie (zoals het korten van de uitkering) op zijn plaats, behoudens objectieve uitzonderingsgronden. 4.4 Er komt een verplicht leer/werkcontract voor jongeren van 17 tot 23 jaar, die voortijdig de school hebben verlaten. (zie ook de paragrafen 5 en 6) 4.5 Er dient gezocht te worden naar een verplichtende manier om mensen die onvoldoende gekwalificeerd zijn voor de arbeidsmarkt zich zodanig te laten scholen dat zij niet op voorhand aangewezen zijn op de bijstand als in het huishouden het inkomen van de partner wegvalt. Daarbij kan gedacht worden aan een korting op de uitkering wanneer bij de intake blijkt dat er gedurende de voorgaande jaren geen serieuze poging is gepleegd om zich tot dit niveau te scholen. 4.6 Politieke partijen hebben een bijzondere verantwoordelijkheid om de politieke participatie van migranten te bevorderen. 5) Sleutelrol voor onderwijs Intro Het gehele onderwijs is gericht op integratie. Daarom moet in het curriculum expliciet aandacht aan worden besteed aan: de kernwaarden van de Nederlandse samenleving; de rol van religie en levensbeschouwing; ontstaan van de Nederlandse samenleving en cultuur; intercultureel onderwijs; burgerschap; participatie op de arbeidsmarkt; emancipatie én voor het voortgezet onderwijs: 'maatschappelijke stage'
In de huidige discussie wordt door sommigen de vrijheid van onderwijs ter discussie gesteld door een acceptatieplicht te suggereren. In de praktijk blijkt niet dat bijzondere scholen minder migranten danwel kansarme leerlingen accepteren. Integendeel! Vrijheid van onderwijs is bovendien een groot goed! Zij biedt ouders de mogelijkheid te kiezen voor onderwijs dat het beste aansluit op de waarden en normen die zij willen overdragen op hun kinderen. Verschillen tussen scholen zijn echter van alle tijden. Inzet op verkleining van de daadwerkelijke achterstanden, los van de etnische achtergrond, is noodzakelijk omdat kwaliteit bij scholen voorop staat. Om achterstanden te kunnen meten is een goede toetsing van leerlingen van belang. Ten eerste dient te worden begonnen met een entreetoets. Ten tweede wordt de Cito-toets verrijkt met een brede intelligentietoets, waar ook sociale en culturele aspecten deel van uitmaken. Scholen van eenzelfde denominatie uit één wijk dienen zoveel mogelijk een afspiegeling te vormen van de buurt. Het ontstaan van een eenzijdige schoolbevolking wordt daarmee zoveel als kan voorkomen. Gemeenten dienen samen met schoolbesturen en het bovenschoolsmanagement vrijwillige afspraken te maken om een gemengde schoolbevolking bevorderen. Het werkelijke probleem ligt bij de eenzijdige samenstelling van wijken en buurten. Een gedifferentieerd woningaanbod bevordert een evenwichtiger samenstelling. Er is een groot aanbod aan voorschoolse en vroegtijdige educatie (VVE), zoals peuterspeelzalen. Deelname daaraan is wenselijk omdat dan voorkomen kan worden dat kinderen met een taal- en/of leer- achterstand in het basisonderwijs komen. De overheid bevordert dat, maar kan deelname daaraan niet verplicht stellen omdat dat de verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding van hun kinderen aantast. Alle talenten van leerlingen moeten benut worden, waarbij het 'vullen van de rugzak' een belangrijke opdracht voor het onderwijs is. Juist om vergrijzing op te vangen moet een optimaal gebruik worden gemaakt van het potentieel talent op de werkvloer. Om leerlingen te stimuleren is het van belang rolmodellen (ROC, HBO en WO studenten) structureel in te zetten om jongeren een positief perspectief te bieden. Dit is van belang om het opleidingsniveau van voornamelijk migrantengroepen te laten stijgen. Naar schatting deed in het àtussen de 40% en 45% van de Turkse en Marokkaanse leerlingen examen op vmbo-niveau en 14% à 15% op havo- of vwo-niveau. Bij van oorsprong Nederlandse leerlingen deed 24% examen op vmbo-niveau en 36% op havo- of vwo-niveau. Onderwijs stopt niet, zodra een leerling met een diploma op zak de poorten van het schoolgebouw achter zich heeft gelaten. Te vaak verlaten leerlingen de school zelfs zonder diploma. Te vaak hebben leerlingen te weinig bagage in hun rugzak om actief burger op de arbeidsmarkt te kunnen worden. Om jongeren met eigen verantwoordelijkheid op de arbeidsmarkt een eigen plek te laten verwerven is een maatschappelijke stage of een 'ouderwetse' onderwijsstage van fundamenteel belang. Bij werkgevers ligt de verantwoordelijkheid om voldoende stageplaatsen ter beschikking te stellen en begeleiding te bieden die jongeren nodig hebben. Op werkgevers en werknemers mag een dringend appèl worden gedaan om effectief toe te zien op het uitsluiten van alle vormen van discriminatie. Bindende afspraken tussen de sociale partners op dit terrein zijn gezien de ontwikkelingen van de afgelopen jaren hoogst noodzakelijk. Aanbevelingen 5.1 Onderwijs vervult een sleutelrol bij integratie. Daarom moet in het curriculum van het onderwijs expliciet aandacht besteed worden aan: de kernwaarden van de Nederlandse samenleving; de rol van religie en levensbeschouwing; ontstaan van de Nederlandse samenleving en cultuur; intercultureel onderwijs; burgerschap; participatie op de arbeidsmarkt; emancipatie én voor het voortgezet onderwijs: 'maatschappelijke stage'. 5.2 Achterstanden moeten worden losgekoppeld van de etnische achtergrond van kinderen en hun ouders en worden gebaseerd op onder meer de sociaal-economische achterstand en de intelligentie van kinderen. 5.3 Om achterstanden terug te dringen dient gericht te worden gewerkt aan aansluiting in de gehele jeugdketen, waarbij voorschoolse en vroegtijdige educatie, kop- en topklassen en schakelklassen vanuit de onderwijskant een cruciale rol spelen. 5.4 Leerlingen met een taalachterstand worden verplicht om via schakelklassen het gewenste instroomniveau te bereiken. De schakelklassen zorgen ervoor dat nieuw in ons land komende leerlingen gericht (via een eigen curriculum en didactiek) achterstanden kunnen inhalen. Hiermee wordt bovendien het regulier onderwijs ontlast. 5.5 Voor moeders worden in hetzelfde gebouw laagdrempelige inburgeringklassen gecreëerd zodat zij daar gelijktijdig gebruik van kunnen maken. 5.6 Er kan door overheid en maatschappelijke organisaties nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de betekenis van rolmodellen uit de diverse culturen die Nederland rijk is. Met name jongeren kunnen zich daaraan optrekken. 5.7 Bij aanvang van de schoolperiode dienen ouders en school in een gesprek bindende afspraken te maken om de noodzaak van ouderparticipatie te verzekeren. Scholen dienen dit vast te leggen in schoolgids en werkplan. 5.8 Werkgevers en werknemers maken bindende afspraken om voldoende maatschappelijke stageplaatsen te realiseren. 5.9 Onderwijsinstellingen moeten worden aangesproken op hun (wettelijke) rol in het kader van leerlingenbegeleiding. 5.10 In het curriculum voor de lerarenopleidingen wordt aandacht besteed aan het, 'communiceren met migrantenouders'. Dit dient ook meegenomen te worden bij de her- en bijscholing van docenten. Kennis en inzicht in verschillende culturen en attitudes, respect en begrip zijn daarvan belang. Scholen besteden hier aandacht aan in hun schoolplan.. 5.11 De onderwijsinspectie toetst binnen de Wet op het Onderwijstoezicht of scholen een voldoende bijdrage leveren aan intercultureel onderwijs en sociale cohesie en aan het incorporeren in het onderwijs van de kernwaarden van de rechtsstaat. 6) Werkgelegenheid
Intro: Teveel migranten staan aan de kant, nemen geen deel aan het arbeidsproces en zijn afhankelijk van een uitkering. Van de 850.000 huishoudens onder de armoedegrens is de helft van niet-westerse afkomst, terwijl in 2002 10% van de bevolking niet-westerse migranten waren.[3] Ook de arbeidsparticipatie van jongeren is zorgwekkend laag. Terwijl de werkloosheid bij de 15-24 jarige Nederlanders 7% bedraagt, ligt zij bij de Surinamers op 30% en bij de Antillianen op 27%. Ook bij de Turken en Marokkanen is de werkloosheid het hoogst in de jongste leeftijdsgroep, maar de afwijking ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen is veel kleiner. Met name in de grote steden doet zich steeds vaker het verschijnsel voor dat generaties volgtijdelijk werkloos zijn, de zgn. generatiewerkloosheid. Het is dan ook onze overtuiging dat werk voorop dient te staan. Werk is weliswaar geen voldoende voorwaarde voor integratie, maar wel een noodzakelijke voorwaarde. Van meetaf aan moet daaraan gericht aandacht worden besteed. Werk betekent niet alleen opgenomen zijn in een arbeidsorganisatie, maar veeleer ook het hebben van een werkkring met daarbij behorende sociale contacten en een maatschappelijk perspectief. Juist nu er sprake is van economische recessie moet een activerend beleid worden gevoerd, waarbij het huidig binnenlands arbeidspotentieel voorop staat. Slechts bij fricties op de arbeidsmarkt, waarin dit arbeidspotentieel onvoldoende kan voorzien is arbeidsmigratie op tijdelijke en gereguleerde basis acceptabel. Voor wat betreft de begeleiding naar de arbeidsmarkt kan een gericht regionaal arbeidsmarktbeleid, complementair aan de landelijke afspraken tussen werkgevers en werknemers, doeltreffender werken dan voorheen nog voor mogelijk werd gehouden. De arbeidsmarkt in de eigen omgeving kent zijn eigen karakteristieken en oplossingen. Gericht decentraal beleid is dan ook doeltreffender dan een, algemeen centraal beleid. Iedere regio heeft zijn eigen karakteristieken; ieder regio heeft zijn eigen oplossingen. Aanbevelingen 6.1 Door regionale akkoorden tussen sociale partners, (provinciale, regionale en lokale) overheden en de Kamers van Koophandel kan actief arbeidsmarktbeleid doeltreffender worden uitgevoerd. 6.2 Sociale partners en besturen van de Kamers van Koophandel verplichten zich om (vertegenwoordigers van) migranten(organisaties) op te nemen in hun besturen en organisaties. 6.3 Duale trajecten ' de combinatie van inburgering en werk ' wordt uitgebreid en in de regionale akkoorden vastgelegd. 6.4 Sociale partners en de overheid maken gezamenlijk afspraken over het uitsluiten van alle vormen van discriminatie en dienen toe te zien middels regionale afspraken op non-discriminatoire wervings- en selectieprocedures. 6.5 Op werkgevers en werknemers mag een dringend appèl worden gedaan om effectief toe te zien op het uitsluiten van alle vormen van discriminatie. 6.6 Er komt een flexibel stelsel van tewerkstellingsvergunningen inclusief een arbeidsmarkttoets. 7) Positie van de vrouw
Intro De positie van migrantenvrouwen en meisjes is uiterst kwetsbaar. In nog te veel migrantengezinnen is de rol van de vrouw ondergeschikt aan die van de man. De gelijkwaardigheid van man en vrouw dient voorop te staan. Afhankelijkheden mogen niet vatbaar zijn voor misbruik. Daarom is het belangrijk dat mensen in beginsel in staat zijn om een zelfstandig leven te leiden. Afhankelijkheid van beide partners ten opzichte van elkaar is niet per definitie verkeerd. Wel het misbruik ervan. Er is dan ook alle reden om fors te investeren in kennis en scholing van met name vrouwen. Ook gezien hun betekenisvolle rol in de opvoeding is het belangrijk dat vrouwen zich kunnen scholen. Het CDAV heeft recentelijk in zijn rapport 'De uitdaging aangenomen' terecht aandacht gevraagd vor het betrekken van, gender-aspecten bij het tegengaan van sociaal-economische tegenstellingen. Met werkgevers en werknemers kunnen hierover afspraken worden gemaakt. Aanbevelingen 7.1 Vanuit het CDAV zijn behartenswaardige aanbevelingen gedaan om de gender-aspecten veel meer te betrekken bij vormen van sociaal-economische tegenstellingen. Met werkgevers en werknemers kunnen hierover afspraken worden gemaakt teneinde zoveel mogelijk vrouwen te laten participeren in het arbeidsproces. 7.2 Emancipatie dient in een aparte module in het inburgeringsprogramma te worden opgenomen. 7.3 Het tegengaan van huiselijk geweld verdient een stevige aanpak juist als het gaat om de ondergeschiktheid van de vrouw.Gemeenten dienen het voortouw te nemen om dit geweld te bestrijden. 7.4 Daders van huiselijk geweld mogen voor een periode van 5 jaar geen bruid uit het land van herkomst over laten komen. 7.5 Bij schakelklassen worden voor moeders in hetzelfde gebouw laagdrempelige inburgeringklassen gerealiseerd zodat zij daar gelijktijdig gebruik van kunnen maken. (zie ook 5.5) 8) Plaatselijk niveau, de buurt
Intro Maatschappelijk onbehagen heeft vooral te maken met het feit dat achterstandsgroepen zich concentreren in bepaalde buurten en wijken (segregatie). Achteruitgang van een buurt heeft vooral te maken met verslechtering van het leefklimaat, door overbewoning en criminaliteit. Als overlast en criminaliteit de overhand krijgen, treedt verval op in een buurt. Als die ontwikkeling het absorberend vermogen van de stad, wijk en buurt dreigt te overstijgen, moet gericht actie worden ondernomen. Dat wil zeggen dat een gemotiveerd selectief vestigingsbeleid mogelijk moet zijn. De school is meer dan een plek waar onderwijs wordt gegeven. De 'Community school' draagt bij aan sociale cohesie, aan de opbouw van de samenleving en aan ontwikkelingskansen van kinderen en van hun ouders. Er ontstaat een pedagogische infrastructuur in de wijk, waarbinnen er vooral aandacht zal zijn voor de moeders, die in veel gevallen nog steeds de sleutelfiguren zijn in opvoeding en ontwikkeling van het gezin. Aanbevelingen: 8.1 Een juiste balans tussen instroom enerzijds en het vermogen van een samenleving om mensen met achterstandsproblemen te kunnen helpen en begeleiden anderzijds vraagt een selectief vestigingsbeleid. 8.2 De dialoog tussen mensen kan bevorderd worden als bewoners onderling afspraken maken over een leefbare omgeving te realiseren. 8.3 Verantwoordelijkheid van zelforganisaties en inspraakorganen bevorderen, door hen als gesprekspartner te betrekken bij voorbereiding en uitvoering van beleid (mits zij uiteraard voldoen aan de kernwaarden van onze rechtsstaat). 8.4 Door een gedifferentieerd woningaanbod ontstaat een meer evenwichtige samenstelling van wijken en buurten. Dit voorkomt segregatie. Zo nodig wordt de Huisvestingswet daartoe aangepast om de vestiging van nieuwkomers selectief te beperken. Voorts wordt het middels verbeurdverklaring van panden mogelijk om illegale activiteiten tegen te gaan. 8.5 Om verloedering en gettovorming tegen te gaan moet illegaliteit, maar vooral ook de uitbuiting van illegalen, scherp worden bestreden. 8.6 Ter versterking van de pedagogische infrastructuur in de wijk dient het concept 'Community school' verder ontwikkeld te worden. 8.7 Sportverenigingen vervullen een stimulerende rol bij opvoeding en integratie. Zij geven kans leiderschapskwaliteiten te ontwikkelen, kinderen leren er omgaan met winnen en verliezen en het accepteren van gezag. Juist in de directe eigen omgeving zijn vele goede voorbeelden van actief burgerschap te vinden die navolging verdienen. Enkele voorbeelden: schakelklassen in Deventer, 'Opzoomeren' in Rotterdam, Vrouwencentra, huiswerkbegeleiding en mentorprojekten door studenten, Buurtvaders op Rotterdam CS, vaderschapsproject in Den Haag. Actief burgerschap kan niet door de overheid worden afgedwongen, wel kan de gemeente dit stimuleren en actief ondersteunen. 9) Illegaliteit
Illegalen zijn gemarginaliseerd in onze samenleving. Zowel voor deze mensen als de gehele samenleving is dat ongewenst omdat het schadelijk is voor de rechtsstaat. 9.1 Illegaliteit is ongewenst en dient effectief bestreden te worden vooral door het tegengaan van uitbuiting van illegalen. 10) Tenslotte nog enkele aanbevelingen in algemene zin
10.1 Het integratiebeleid behoort deel uit te maken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om zodoende de hoeksteen van de binnenlandse aangelegenheden en het grote stedenbeleid vorm te geven. 10.2, Ook bij de andere overheden wordt een coördinerend wethouder c.q. gedeputeerde voor integratie aangesteld. 10.3 De overheid is verantwoordelijk voor een actieve bestrijding van racisme en discriminatie en stimuleert een streven naar wederzijds respect en vertrouwen. 10.4 De overheid stimuleert en ondersteunt empowermentprogramma's van migranten organisaties 10.5 Een goede inburgering is onontbeerlijk voor integratie. Om tijdig in te kunnen spelen op eventuele knelpunten komt er een 'migrantenvolgsysteem' vanaf het moment van binnenkomst tot aan de afronding van het inburgeringstraject". http://www.cda.nl/domains/cda/content/downloads/publicaties/2004/nederlandintegratieland.doc |